Charel Krienen (u weet wel de zoon van de dorpssmid uit Laag-Keppel) heeft in veel van zijn boeken het Hummelo en Keppel rond 1900 beschreven. Voor feitelijke namen van gebouwen en personen gebruikte hij vaak een synoniem, om de dorpelingen niet al te erg in het verhaal te verbeelden. Kruidenier / herbergier Noij (uitgever van deze ansichtkaart uit 1904) heet in z’n verhaal dan ook Noyens. In het boek “Karel Vermeer” kunt u lezen wat de foto van deze week uitstraalt.

Voor de herberg “De Drie Zwaantjes” (De Zwaan) gelegen aan de laan van Doesburg naar Laag-Keppel, hield de stoomtram van negen uur stil. De herbergier, die in de leege gelagkamer met de courant in zijn hand een tijdlang had zitten dutten, was door het knarsen van de stilhoudende tram wakker geschrikt. Hij trok zijn voeten van de kolomkachel, schoof ze in een paar muilen en slofte de gelagkamer uit naar de voordeur, die hij met een ruk opende. “Niemand,” riep hij de conducteur toe, die van den tramwagen gesprongen, zich naar de gelagkamer wilde begeven om te waarschuwen. “Niemand,” schreeuwde de conducteur tegen de machinist, “vooruit maar.” “Ting-e-ting,” tikte de bel” de conducteur sprong op den voorsten wagen, en voort stoomde de tram de donkere laan naar Laag-Keppel in. De herbergier verdween achter de deur, die hij met een harden slag dichtwerk en daarna grendelde. Het was donker op ’t plein voor de herberg. Op het plein stonden een vader en een kind die uit de tram gestapt waren. “Waar moeten we heen vader?” vroeg het kind met zachte stem. “Dien kant op, mijn jongen,” luidde het antwoord van den grooten man, terwijl hij met den vinger in de richting van Laag-Keppel wees. Een ogenblik later liepen vader en zoon de laan in, in de richting, waarin ook de tram zich had begeven. Vader en zoon sloegen daarna de grintweg in, die even voorbij “De Drie Zwaantjes” (De Zwaan), links-af leidt naar het dorpje Hoog-Keppel. De grintweg was doornat. Op den hoek, dichtbij de boerderij van Hofs (?), werd Karels oog getroffen door een ding, hoog tegen de lucht aan. “Wat is dat, vader?” vroeg hij, deze keer minder angstig, daar het hoge ding verder weg was. “dat ding, dat ding,” antwoordde vader, “dat is de toren van de kerk, die op ’t kerkhof staat”. Even later waren ze bij het huis van Noyens (Noij), den herbergier in “’t Wapen van Keppel”. Op den hoek van dit huis stond een regenton. De eigenaar van de herberg was tevens kruidenier. Door de ruit, die in het bovendeel der winkeldeur zat, viel het licht op ’t plein voor de herberg, waarop een paar voerbakken stonden.

In het boek staat ook een slaapliedje uit Hoog-Keppel:

Slape-Doe
(Dorpsliedje. Muziek van V. D. Kraan.)
Zonneke heeft er de bloemkens der wei
Zoo evn goe-nacht gekust.
Nu legt het zich zachtkens in ’t verre west
Op een rozenbed neder ter rust.
Bloemekens doen er de kelkjes toe;
Windeke zingt er van slape-doe;
Slape-doe, slape-doe
Windeke zingt er van slape-doe.
Enz.

Door Fred Wolsink. Gepubliceerd in Weekblad Contact (17 april 2007).