De Kozakken zijn nu al weer bijna tweehonderd jaar vertrokken uit de Achterhoek. Wat rest, zijn de spannende romantische verhalen over een vreemd en exotisch volkje dat hier in korte tijd een onuitwisbare indruk wist achter te laten. Dat de winter van 1813 op 1814 in delen van de Achterhoek nog doorgaat voor de Kozakkenwinter zegt wel dat het vreemde krijgsvolk veel indruk heeft gemaakt op de bevolking.
Ze zijn naar deze streken gekomen als bevrijders, maar dat wordt door de bevolking niet altijd zo ervaren. Vooral de boven gemiddelde eet- en drinklust een constante in veel anekdotes en volks verhalen debet is aan de slechte naam die de Kozakken al snel verwierven. Als bevrijders verwachtten ze dat de bevolking ruimhartig over de brug zou komen met voedsel en drank, maar Nederland was in de ruim vijf jaar dat het bij Frankrijk was ingelijfd al helemaal uitgezogen en afgeknepen. Het was armoede troef en schraalhans was keuken meester. Bovendien zal de bevolking met afgunst hebben gekeken hebben naar de bacchanalen die de Kozakken lieten aanrichten.
Dit blijkt o.a. uit onderstaand verhaal, dat zich in onze omgeving afgespeeld heeft.

Aan de Rijksweg van Laag-Keppel naar Doetinchem, staat net even buiten de dorpskom ongeveer ter hoogte van boerderij ‘t Haveland een oude taxusboom in het bos. Voor wie het wil geloven, markeert deze boom de plek waar in de winter van 1813-1814 een Kozak werd begraven. Het verhaal gaat dat bij een kleine boerderij onder Langerak (later verrees daar de villa Groot Zande) de vrouw des huises bezig was met het putten van water toen een kozak op haar afkwam. Hij maakte woeste gebaren en riep allerlei onverstaanbare kreten. De vrouw wilde naar binnen rennen, maar de Kozak sloeg haar met zijn sabel op het hoofd. Een buurman kwam op het gegil af, holde snel naar huis en kwam met zijn oude geweer weer terug. Hij schoot de indringer dood. Later op de avond werd de Kozak een eind verderop in het bos bij boerderij ’t Haveland begraven. Om het graafwerk te maskeren besloot de boer om op het graf een taxusboom te planten.

In Gorssel had men andere ervaringen;
Dat de Kozakken niet alleen hongerlappen en zuipschuiten waren, maar ook vechtjassen van formaat bewijst hun snelle opmars door het noorden en oosten van ons land. Op 10 november 1813 hadden zich twaalf tot vijftienhonderd Kozakken verzameld bij het Duitse Neuenhaus, boven Nordhorn. Twee dagen later doken de eersten al op voor de IJssel. Hun strategie was om de Fransen zo snel mogelijk de rivier over te jagen en dan door te stomen naar het westen tot uiteindelijk Parijs. Dat lukte wonderwel. Op 21 mei 1814 was heel Nederland voorgoed van de Fransen bevrijd.
Interessant is het relaas van Hendrik Barink uit de buurt van Gorssel. Hij vertelt in zijn dagboek over de komst van de Kozakken naar zijn dorp. Die waren daar gelegerd in verband met het beleg van Deventer.
Hij beschrijft in een wat primitief Nederlands hoe zo’n vijftig Kozakken op 25 november 1813 bij Bosman (boerderij, gelegen aan weg van Gorssel naar Dorth ) een kampement hebben opgeslagen en dat hij en andere boeren uit de omgeving eten, voer voor de paarden en brandhout moeten aanvoeren voor de gasten. Zijn relaas is over het geheel genomen nogal positief. Hij rept in ieder geval niet over wreedheden of plunderingen. Ook schrijft hij heel genuanceerd: ‘ons eijgen krijgsvolk is somtijd nog ondeugender als de Cosakken waren’. Ook zag hij enige mate van godsvrucht in de woeste krijgers. Ze aten in ieder geval met bedekt hoofd. Zijn positieve instelling zal zeker zijn beïnvloed door de vergoedingen voor geleverde haver, hooi en stro, die later door de Russische Tsaar aan hem werden uitbetaald.
Bron o.a.: Loek Kemming / Den Schaorpaol (2006-2)

Door Fred Wolsink. Gepubliceerd in Weekblad Contact (3 april 2007).