• nlhun201104167591.jpg
  • paasvuur-nlhum201004044408.jpg
  • nlhum201309249087.jpg
  • volksfeest-nlhum200709120738.jpg
  • manana-manana-2014-5320b.jpg
  • volksfeest-nlhum200709120464.jpg
  • vive-la-france-nlhum201407114350.jpg
  • manana-manana-2014-5320.jpg
  • nlhum20040620xxxx.jpg
  • piet-oudolf-nlhum200608190018.jpg

Jeugdherinneringen uit de Dorpsstraat 21 in Hummelo van 1943-1968
- Jan Jansen Venneboer, januari 2010 -

De economische situatie zag er in 1945 na het einde van de Tweede Wereldoorlog voor het leeggeplunderde Nederland somber uit, zeker toen ons voormalig Nederlands Indië een eigen weg begon in te slaan. Hoe moest het land weer opgebouwd worden? De oplossing van de economische problemen moest van de industrialisatie komen. Er waren in de gemeente Hummelo en Keppel twee fabrieken: de ijzergieterij in Keppel en de boterfabriek. Nadat de boterfabriek in Hoog Keppel een fusie was aangegaan met Doetinchem, kwam het gebouw leeg te staan. In het gebouw werd door slimme en ondernemende boeren uit onze gemeente, die vonden dat ze te weinig geld aan hun aardappelen verdienden, een patatfabriek opgericht: de AVIKO.

De lonen waren in de jaren vijftig laag. Dat was nodig om het land weer op te kunnen bouwen. De mensen kenden een sobere levensstijl, want er was gewoon geen geld. Zuinig en vlijtig zijn was in die tijd een groot goed. Ons broodbeleg bestond uit kaas van Westhoff, die moeder zo lekker vond, (eigengemaakte) jam en in het weekend hagelslag en soms een plakje boterhamworst. Het warme eten bestond nog zo goed als altijd uit Hollandse produkten: aardappelen met een stukje vlees van slagerij Bolt (of het huisgeslachte varken), groente uit eigen tuin (of van Jolink, de groenteboer uit Laag Keppel, die een paar keer in de week met paard en wagen langs kwam).
November slachtmaand: het roept in herinnering de geur van warm bloed, een varken op de “leer” en de huisslachters Elbert en Herman Nijman met grote messen. Het beeld van moeder met schort, klaar om de darmen van het geslachte varken net zo lang uit te spoelen tot ze schoon genoeg zijn om er worst in te maken, zijn nog steeds dichtbij. Metworst, balkenbrij, hoofdkaas, lever- en bloedworst. En weckflessen, overal weckflessen. Mijn moeder had de leiding. Zij zei tegen de huisslachters Elbert en Herman Nijman, hoe ze het wilde hebben, maar werkte vooral zelf heel hard om het geslachte varken te verwerken voor de wintermaanden.


Een affiche uit de oorlogsjaren met reclame voor Elbert Nijman, onze
huisslachter die op de hei achter boerderij Jena (van de
landgoedcamping) woonde. Foto: Collectie Staring Instituut.

Pas in 1951 werd de tramlijn Zutphen - Emmerik, die vlak voor ons huis liep, opgeheven. Al vrij snel daarna nam het autoverkeer voor ons huis toe. Een paar jaar later zou Henk, mijn oudste broer thuis komen met een nieuwe scooter en aan het eind van de jaren vijftig kocht mijn vader zijn eerste “Eend Bestelwagen,” na een zware longontsteking. De eerste tekenen van een nieuw tijdperk dienden zich aan. Tussen 1958 en 1966 kwamen er viermaal zoveel personenauto’s. Mijn moeder kreeg in deze tijd een nieuwe wasmachine, koelkast en stofzuiger. De luxe kwam in een zeer kort tijdsbestek beschikbaar voor grote groepen mensen.

GTW station in Doetinchem
De G.T.W. in de jaren vijftig. Foto: Collectie Staring Instituut.

Stoomtram van Zutphen naar Emmerik
De tram van Zutphen naar Emmerik, die tot 1948 voor ons huis liep.
Foto: Collectie Staring Instituut. 

Zoals in 2008 “jong en flitsend” de norm is, was “oud en degelijk” in de jaren vijftig een aanbeveling. Als er voor een produkt al reclame werd gemaakt, dan gold “nieuw” niet als een aanbeveling. Juist het feit dat de maker “van ouds bekend” was, had aantrekkingskracht. Verkade, Bruinzeel, Philips en Douwe Egberts waren in die tijd vertrouwde namen. De snelheid van het leven nam echter toe. De auto en de telefoon waren in opmars. Aan het begin van de jaren vijftig hadden nog maar enkele notabelen in Hummelo een auto. Omstreeks 1960 reden de meeste middenstanders in bestelauto’s en een aantal boeren in grote, tweedehandse auto’s.

De jongens en meisjes in Hummelo liepen meestal keurig in het gareel, zoals de opvoeders het wensten. De ouders, de dominee, de leerkrachten van school en de politie waren nog echte gezagsdragers. Ik las wel eens iets over nozems met bromfietsen en Brylcreem in het haar, die de gevestigde orde provoceerden in Amsterdam, maar dat was een ver-ver-van-mijn-bed-show. Het hoorspel In Holland Staat een Huis, met de familie Doorsnee, van Annie M.G. Schmidt, waarnaar we soms op zondagavond luisterden, predikte ook meer vrijheid en ongebondenheid, maar wel binnen de perken van het nette. Vader Doorsnee, die een kantoorboekhandel bezat, had er moeite mee zijn machtspositie als heer des huizes te handhaven en moest bijna elke week wijken voor het gezonde verstand van moeder. Het zou een opmaat zijn, zo zou later blijken, voor de vrijheid en ruimte van de jaren zestig, die de mensen zich zo lang ontzegd hadden.

Door een groeiend tekort aan arbeidskrachten werden door de werkgevers vanaf het einde van de jaren vijftig bewust “gastarbeiders” uit andere landen geworven. In 1965 zag ik de eerste gastarbeiders uit Turkije in onze gemeente. Ze woonden tijdelijk op Kamp de Tol. Jonge mannen uit traditionele dorpjes in Oost-Turkije gingen in Drempt aan het werk met ondergrondse gasleidingen, die werden aangelegd omdat één van de grootste aardgasvelden ter wereld in Slochteren was aangetroffen. Het was mijn eerste kennismaking met minderheden, maar veel merkte ik er niet van, want ze leefden erg op zichzelf. Ik zag ze alleen een stukje wandelen als ik brood naar Kamp de Tol moest brengen.