Lodewijk Napoleon Bonaparte

Op de foto van deze week is Lodewijk Napoleon Bonaparte te zien. Deze Koning van Nederland werd op 2 september 1778 te Ajaccio geboren en overleed in Livorno op 25 juli 1846. Zijn bijnaam was ‘de Lamme Koning’ of ook wel ‘Lodewijk de Goede’. Hij was de broer van keizer Napoleon I en de vader van de latere Franse keizer Napoleon III. In 1806 werd hij op last van zijn broer Napoleon vorst van het Koninkrijk Holland. Nadat in januari 1809 een grote overstroming van de Rijn was geweest bezocht Lodewijk Napoleon Bonaparte in de maand maart van dat jaar de Achterhoek en was o.a. in Zutphen, Doetinchem, Keppel en Doesburg. Komende winter en voorjaar is het dus precies 200 jaar geleden, dat deze overstroming en het antwoord van de regering daarop plaats heeft gevonden.

Hier een verslag van dat werkbezoek van de Koning: “Eene verschrikkelijke overstrooming verwoestte nogmaals Holland in dezen oogenblik, de berigten werden zoo onrustverwekkende, dat de Koning besloot, om zich naar de plaats zelve te begeven, om den staat van zaken in oogenschouw te nemen en over de te nemene maatregelen te oordeelen, bovendien wilde hij van deze gelegenheid gebruik maken, om ook te dezen aanzien van den staat des Koningrijks eene grondige kennis te krijgen. Alvorens de Rijn te Arnhem komt, verdeelt zich deze rivier in twee takken, waardoor het eiland de Betuwe wordt gevormd, de eerste, die aanvankelijk het kanaal van Pannerden en naderhand de Leck wordt genoemd, stroomt voorbij Arnhem, de tweede is de Waal, die de muren van Nijmegen, tegenover het dorp Lent, bespoelt en vervolgens zijnen loop neemt voorbij Gorinchem, Dordrecht en Rotterdam, deze wordt aanvankelijk de Merwede en vervolgens de Maas genoemd: deze tak behoudt den naam van Waal, tot dat dezelve zich met de Maas vereenigt, hetwelk, alvorens bij Gorinchem te komen, in het gezigt van deze stad plaats heeft. De Merwede of de Waal en de Maas vereenigd zijnde, vormen bij Dordrecht eene menigte kleine takken, die men killen noemt: deze beide rivieren, die het land doorstroomen, om te Gorinchem te komen, loopen nagenoeg van het zuiden naar het noorden, zoodanig, dat het dooiweder reeds boven aan de rivier is begonnen, terwijl dat beneden aan dezelve nog alles met ijs is bezet. Uit hoofde van deze reden en door het opkruijen van het ijs in de kleine takken der rivier of killen, waarin het water sterker bevriest en het ijs eene grootere vastigheid verkrijgt, ontstaat dan eene verstopping. Het eiland, of de Delta der Betuwe, hetwelk door de twee voornaamste takken van den Rijn gevormd wordt, of, zoo men wil, aan de eene zijde door de Leck en aan de andere zijde door den Waal en de Maas, is een zeer vruchtbaar land, doch zeer laag, deszelfs oppervlakte is naauwelijks zoo hoog als de rivier in den zomer, zoodat, wanneer het water zeer hoog wordt, door het smelten van de sneeuw in Zwitserland, Duitschland en Frankrijk, of door gestadigen regen, de Betuwe in zeer groot gevaar is en alleen gewaarborgd wordt door de dijken, die dit eiland omringen. Bovendien gebeurt het zeer dikwijls, dat, wanneer de rivieren zeer hoog zijn, de vloed der zee ook hoog is, en aldus den loop der rivieren, tot op eenen aanmerkelijken afstand van derzelver mondingen, opstoppen, dan worden de dijken met verdubbelde kracht geprangd, en dit was juist het geval in de maand Januarij 1809.
Te Zutphen merkte hij op, dat de weeskinderen eene betere gezondheid genoten dan ergens anders, zij hadden eene minder gele kleur en minder opgezette buiken. Dit regtvaardigt het dikwijls aan de administratie der Godshuizen herhaalde bevel, om de kinderen niet alleen met melk, meelspijzen en groenten te voeden. De katoendrukkerij van versteel, en de leertouwerij en fabriek van bisschop waren in eenen welvarenden staat. De Roomschgezinden kregen de Sint Janskerk, de kooplieden verkregen, dat de kleine rivier de Berkel bevaarbaar werd gemaakt voor alle jaargetijden en tot aan de grenzen des Koningrijks; het water van deze streken werd zoodanig geleid, dat de vaart op de Schipbeek en die op de Berkel elkander geen nadeel konden toebrengen. Het maken van eene sluis, om de vaart uit de stad naar den IJssel te openen, hetwelk reeds sedert langen tijd beloofd was, werd nu toegestaan. Na den dijk, genaamd den Kanondijk, te hebben bezigtigd, ging de Koning naar Groenloo en Varseveld, waar hij bevel gaf tot het herbouwen van de brug, die door de overstrooming was vernield. De kleine stad Lochem is opmerkenswaardig wegens de mijnen van keizelsteenen (mines of Rhenish pebbles) in den Rijn, en Winterswijk wegens deszelfs fabrieken van bombazijn en katoen. Hij ging vervolgens naar Breedevoort en Aalten. In het eerste dezer dorpen bezigtigde hij de paardenfokkerij, welke aldaar sedert drie jaren was opgerigt en die in eenen goeden staat was, hij vond daar eene menigte hengsten van zuiver Engelsch ras, welke men uit Groot-Brittanje, door den ijver en de bemiddeling van den Inspecteur van hoorick, had weten te krijgen. Deze paardenfokkerij had reeds voor de derde maal in al de provinciën van Holland de springhengsten geleverd. De herbouwing van de brug, die door de overstrooming te Deutichem was weggespoeld, en die der Roomsche kerk in dezelve stad werden besloten. Het Katholijk Seminarium te 's Heerenberg kreeg eene boekerij en het getal der leerlingen werd op zestig gebragt. Te Keppel bezigtigde de Koning de sluis van den Ouden IJssel en de ijzersmelterij van den Heer van Hemert. Hij stond aan de stad Doesburg het maken van eene groote sluis toe tusschen den Ouden IJssel en den IJssel en de herstelling van de groote kerk; hij begaf zich vervolgens naar het Loo”. Tot zover het citaat uit het verslag van het werkbezoek van de Koning aan de Achterhoek naar aanleiding van een grote overstroming van de Rijn en Oude IJssel in januari 1809.

Door Fred Wolsink. Gepubliceerd in Weekblad Contact (30 september 2008).