Schimmenspel boerenkermis

Na Keppel en Hummelo wordt komend weekend in Drempt nog kermis gevierd en daarom gaat deze aflevering over de oorsprong en achtergronden van de kermissen in onze streek. De illustratie is een oorspronkelijk ‘schimmenspel’ waarbij allerhande zaken die op een boerenkermis gebeuren zijn uitgebeeld. Aan de hand van deze plaatjes kon de verteller een smeuïg verhaal opdissen. Gepensioneerd leraar en schooldekaan Wim Mogesomp heeft onlangs een artikel gepubliceerd over het fenomeen kermis in de Achterhoek. Zijn artikel is de basis voor de aflevering van deze week. Ik heb zijn publicatie hier en daar wat bewerkt en aangevuld met een door mij in 1981 geschreven artikel in de ‘Kronijck van Deutekom en Salehem’ over een kermis aan de Muldersfluite dat ook opgenomen is in de Achterhoekse Almanak 2008.

De kermis in de Achterhoek is eigenlijk van ouds een soort dankfeest voor de oogst en de meeste kermissen vinden dan ook plaats in de herfst. Op de kermis werd volop gegeten, gedronken en gevochten. Dit aloude gebruik werd nu eens niet in Christelijke banen geleid. De strijd ging dan meestal tussen de jongens van de verschillende dorpen. De jonge meisjes gingen in lange gesloten rijen gearmd over straat. Telkens verbrak een jongen de formatie op een bepaalde plaats en vroeg of het meisje van zijn keuze genegen was met hem kermis te houden. De rij werd steeds kleiner en steeds meer paren liepen over de kermis of zaten in de kroegen. Met zulke gelegenheden werd veel alcohol genuttigd. Dan gold altijd ‘De Borculose maote’ dat wil zeggen, dat het glas tot de rand toe gevuld werd. De koekkraam nam een belangrijke plaats in op de kermis. De jongens kochten een kermiskoek voor de meisjes en de meisjes trakteerden op moppen. Enkele weken later kwam de jongen nog eens weer en floot dan om de hoek van het huis. Het meisje verscheen dan en als de jongen een stuk van de kermiskoek, kreeg dan mocht hij nog eens weer komen, maar kreeg hij niets of een kapje, dan was het voor hem: einde oefening. Een ander woord voor kermis is ‘fluite’. Bij de verdwenen molen ‘Olde Kaste’ in de Dunsborg tussen Zelhem en Hengelo werd jaarlijks op Hemelvaartsdag een eendagskermis gehouden, waarbij het huis van de molenaar als herberg dienst deed tijdens de Muldersfluite. De kermis in de Dunsborg werd, in tegenstelling tot andere plaatsen, dus aan het begin van de zomer gehouden. Aanleiding was de jaarlijkse broodlevering en –uitdeling die berust op een oud recht van de marke, die oorspronkelijk Hertmermark heette. De vergaderingen van het markebestuur werden gehouden in de herberg ‘Den ouden Hengelschen molen’ te Dunsborg (de latere ‘Muldersfluite’). De bewuste markenrechten heeft men gevonden in de archieven van het klooster Bethlehem te Doetinchem. Ze zijn geschreven op een perkament en ingenaaid bij een papieren markenboek van Zelhem. Reeds in 1559 wordt er melding van gemaakt dat boeren op de gemeenschappelijke markengronden van ’t Gooy en Dunsborg plaggen mochten steken onder beding van het jaarlijks leveren van een roggebrood voor de armen. De verplicht geleverde broden werden uitgedeeld aan de armen die zich daarvoor aanmeldden en terwijl de armen zich in de liefdadigheid verheugden, vermaakten de gevers zich met spel en dans en vierden bij de Olde Kaste de zogenaamde Mulderskermis. De naam Muldersfluite is blijven bestaan in de oude herberg met die naam en een jaarlijkse in scene gezette broodlevering en kermis op Hemelvaartsdag. Veel waardering voor deze eendagskermis toonde de schrijver in de Geldersche Volksalmanak van 1842 niet. Hij berichtte daarover: “Rumoer en spektakel heel den dag, tegen den avond het halve dorp dronken, vechtpartijen van jewelste en zo meer- en tenslotte enige knechts en meiden wegens te veel gedronken en te veel genomen vrijheden uit den dienst gejaagd!” Zonder mij nu te scharen onder de boetpredikers, moet ik toch wel erkennen dat hetgeen K. Jassies in zijn boekje ‘Het Overijsselse volkskarakter’ heeft gezegd over de Twentenaar ook wel op de Graafschapper van toepassing is, namelijk dat wanneer hij los komt, matigheid bij het eten en drinken veelal verre is te zoeken. Aan de kermis was meestal een markt verbonden. Enkele kermissen in de Achterhoek hebben oude gebruiken nog in ere gehouden. Hier moeten genoemd worden de kermissen te Hummelo, Keppel en Drempt. Daar treden nog steeds ‘De Bielemennekes’ op. Zij moesten oorspronkelijk de weg banen voor de schutterij. Bij enkele ingezetenen van het dorp, die daar een gave voor over hadden, werd het vaandel geslagen. De avond voor de kermis werd dan voor de deur een boompje geplant, dat dan versierd werd met groen en bloemen. 's Morgens legde men daaronder een geldstuk. Al gauw kwam de schutterij aan marcheren om te gaan vogelschieten. Twee commandanten liepen voorop en daarachter kwam de vaandeldrager. Om de stoet dansten de Bielemennekes, die clownachtig waren uitgedost. De vreemde heren waren onder en boven de wet die dag. Voor het huis van iemand, die iets wilde geven, stopte de stoet en ging men het vaandel slaan. De vaandeldrager was hier zeer bedreven in, geen enkele maal mocht het vaandel bij het zwaaien de grond raken. De Bielemennekes hadden met hun bijlen intussen het boompje omgehakt en dansten er om heen, nadat ze zich meester gemaakt hadden van het geld. Dr. Westerbeek van Eerten meent dat dit een verdringing is van een Thorprocessie uit vroeger tijd. Hij verklaart dit aldus: "De commandant en zijn mannen vormen de Druïdenpriesters. Ze betreden het land van de vrije geërfde. Onder het dansen van de vruchtbaarheidsdemonen (Bielemennekes) wordt door de opperpriester de ban geopend: de meitak zal bewogen worden over het land en tot zegen zijn van de vrije geërfde en zijn familie. De meitak zegent de aarde maar mag deze niet aanraken. De zegenende priester vereenzelvigt zich met de heilige tak door deze om al zijn lichaamsdelen te bewegen. De bijldragers sluiten de vorige oogsttijd af door de symbolische meiboom te verwijderen. In principe is dit dus een sacrale handeling. De zegen is ten einde en de priesterschaar vertrekt om het vogeloffer te brengen, de sacrale maaltijd te houden en zo de vruchtbaarheid van het te bezaaien land op heilige en doeltreffende wijze te bevestigen. In Laag-Keppel vormt het wegbrengen van de haan, die afgeschoten zal worden, al vast een inzet voor de kermispret. De paardenschutterij hield zich bezig met ringsteken. Een voornaam verschil tussen Hummelo en Keppel is het feit, dat ze in Hummelo nog steeds een paardenschutterij hebben. Het ringsteken en vogelschieten vond tot voor kort nog plaats in vele dorpen in de Achterhoek. Hij die de vogel afschiet is schutterskoning en mag een koningin kiezen. In Eefde, de geboorteplaats van Wim Mogesomp, werd de koning in open wagen door het dorp gereden, doch in andere plaatsen werd het koninklijk paar ook wel door de velden gevoerd. Vroeger nam de koning zijn gemalin bij zich op het paard. In de heidense tijd leidde men niet alleen beelden door het veld, maar ook levende personen. Personificaties van mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheid ondergingen een metamorfose en werden schutterskoning en koningin. De ijzeren ring, die bij het ringsteken wordt gebruikt is een degeneratie van de mei- of oogstkrans. De krans was ook het symbool van de vegetatieve vruchtbaarheid. We zien deze krans ook op de palmpasen. In de palmpasen vinden we drie bestanddelen: stam, krans en haan terug. De meiboom zelf was het symbool van de animale vruchtbaarheid in de vorm van een haan. Deze haan veranderde gaandeweg in een houten vogel. De animistische (geestenvererende) mensheid symboliseerde de strijd tussen winter en zomer en de overwinning van de laatste door de rijkversierde meiboom feestelijk in te halen. De meiboom werd afgeschild opdat rondvliegende geesten of heksen zich niet konden verschuilen in de bast. De ijzeren ring, welke oorspronkelijk uit een bloemenkrans bestond, behoorde bij de meiboom, omdat deze krans vroeger aan deze boom bevestigd was.

Door Fred Wolsink. Gepubliceerd in Weekblad Contact (9 september 2008).