De eerste oorlogsjaren verliepen op 't kasteel tamelijk rustig. Maar zo in het jaar 1943 werden de Duitse bezetters steeds vervelender. In Den Haag bijv. moesten vele mensen hun huizen verlaten en maar zien waar ze onderdak vonden. Ook een Haags weeshuis moest zijn gebouw ontruimen en de gehele staf plus weeskinderen vonden onderdak op kasteel Enghuizen.
Zij kwamen op 29 januari in Hummelo aan. Maar niet alleen aan deze mensen verleende Graaf A.S.H, van Rechteren Limpurg gastvrij onderdak, ook verleende hij hulp aan onderduikers en aan neergeschoten Engelse vliegeniers door hen in het kasteel of het tuinhuis, op geheime plaatsen, die hij inmiddels had laten aanleggen, te verbergen. Het kon gebeuren dat de Graaf met Duitse officieren een borrel zat te drinken, terwijl onder hen een stelletje Engelse piloten verborgen zat.
Ook onderduikers kunnen niet de hele dag binnen zitten, daarom kregen ze van de Graaf een groene overal aan en gingen dan in 't bos aan 't werk. Zo zijn deze onderduikers eens door de Duitsers ontdekt en die soldaten wilden hen meenemen om hen voor de O.T. te laten werken. Maar de Graaf, snel gewaarschuwd, gaf deze Duitse militairen in het Duits zo geweldig op hun kop, hen vertellende dat het zijn bosarbeiders waren, dat ze met hangende pootjes afdropen.
Zo verliep de tijd, de één ging, die ander kwam en de Graaf naam vaak grote risico's.
De Duitsers werden langzamerhand flink in het nauw gedreven.
De luchtlanding bij Arnhem bewees dit wel. Veel Duitse soldaten werden er naar toe gedirigeerd en ook onze streek merkte al gauw dat het daar niet pluis was. Vele vluchtelingen uit Arnhem en omgeving streken hier neer. De Duitsers, die voor hun militairen die gewond waren geraakt bij de slag om Arnhem, onderdak nodig hadden, vorderden het kasteel om er een hospitaal van te maken. Dus moest het weeshuis eruit. Doch toen deze gewonden ook weer verder vervoerd waren, kwamen er in het begin van februari jonge parachutisten in.
Dit is door de ondergrondse aan de Engelsen doorgegeven.
Deze parachutisten waren echter spoedig weer verdwenen. Waarschijnlijk zijn zij naar de Rijn gestuurd, waar generaal Montgomery zich opmaakte om met zijn leger over te steken. De luchtmacht kreeg de opdracht om alle vervoer van of voor de Duitsers over de weg of per railvervoer onmogelijk te maken. Er werd op alles geschoten wat over de weg reed. Deze 'Jabo's' (jachtbommenwerpers) kregen ook de opdracht het kasteel te bombarderen omdat men waarschijnlijk dacht, dat er nog vele Duitse soldaten in gelegerd zouden zijn. Dit had men echter mis. Er lagen gewonden van de bombardementen uit Doetin-chem en gewonde en ondervoede mensen uit kamp Rees in.
Het was 's morgens half tien, ik liep bij ons huis en hoorde vliegtuigen aankomen. Dat gebeurde in die tijd wel vaker, je was op je hoede, maar je keek ze na tot ze verdwenen waren. Deze keer echter vlogen ze over en draaiden terug, 32 in getal. Ik had ze geteld. Dit gaat fout, dacht ik bij mezelf, en ja hoor, daar kwamen ze weer aan. Ze lieten hun bommen vallen. Links en rechts vielen ze om me heen. Een verschrikkelijk lawaai terwijl ik plat op de buik tegen een muur van ons huis lag. Het waren splinter- of fragmentatiebommen die ze gooiden. Zo gauw ze de grond raakten, barstten ze uit elkaar, maakten maar een klein kuiltje in de grond, doch hadden een verschrikkelijke scherfwerking.
Na het bombardement kon je door de stof bijna geen hand voor ogen zien en uit deze stofwolk hoorde je gegil en hulpgeroep. Ik ben ook naar het kasteel gehold om te helpen. Onder een boom bij het kasteel lag een meisje met een grote beenwond. Zij werd verzorgd. Gelukkig waren er veel helpers van het Rode Kruis in het kasteel zodat er onmiddellijk hulp geboden kon worden. Alle patiënten werden met bed en al naar buiten gebracht en in het bos neergezet. Ik heb verscheidene malen 'dokter Van Donselaar' horen roepen. Ze hadden hem vaak nodig. Veel van de Doetinchemse patiënten zijn in de omgeving ondergebracht. Bij ons in de kamer lagen ook 5 gewonden, waarvan er één, een dochter van een dominee, is overleden.
Het kasteel, met z'n zware muren, heeft weinig geleden. Alleen glas- en houtschade. Zoals zovele bombardementen was ook deze raid, zowel letterlijk als figuurlijk, een misser.
Het kasteel is pas echt vernield door de Canadezen, die op onverantwoorde wijze met vuur zijn omgegaan (waarschijnlijk kooktoestellen gestookt op benzine), waardoor het kasteel in brand is geraakt. De kosten voor wederopbouw waren zo hoog, dat maar besloten is het af te breken.



Dit artikel is geschreven door A. Veldkamp en gepubliceerd in ‘Overleven in de 2e Wereldoorlog in Angerlo, Doesburg, Hummelo en Keppel’ (uitgave van Stad en Ambt Doesborgh, 1995).